Slaagkans

Regeloverzicht

Elke regel uit elke les, op papier. Print het en leg het naast je oefenexamens.

Basisexamen Inburgering Buitenland (A1) · 5 lessen

Dit overzicht toont de gratis lessen. De regels van alle 5 lessen openen met Mastery. Bekijk de pakketten

Lezen

Lezen (Basisexamen)

Het onderdeel Lezen van het Basisexamen, afgenomen op een ambassade: korte teksten op een scherm, met de vragen hardop voorgelezen.

Hoe laat …?
Zoek de cijfers. Staan er twee tijden, dan hoort er één bij een andere dag.
Waar …?
Een plaatsnaam of een ruimte. Vaak worden er twee genoemd en is er één het antwoord.
Wie …?
Een persoon of rol: de dokter, de leraar, uw buurman. De tekst noemt er meer dan één.
Wat kost …?
Een prijs. Controleer voor welke groep die geldt voordat je hem neemt.
niet / geen
Eén klein woord dat het antwoord omdraait. Let erop als de vraag wordt voorgelezen.

Grammatica

Vraagwoorden

Het vraagwoord bepaalt wat voor antwoord meetelt — een plaats, een tijd, een persoon, een reden.

Waar haalt u geld uit de muur?
Waar vraagt om een plaats. Het antwoord noemt een locatie en verder niets.
Wanneer vieren Nederlanders Koningsdag?
Wanneer vraagt om een tijd: een datum, een dag, een deel van het jaar.
Wie helpt u bij een ongeluk?
Wie vraagt om een persoon of een instantie. Wat vraagt om een ding — de twee schelen één letter en vragen om iets anders.
Waarom betaalt u met uw pinpas?
Waarom vraagt om een reden, en het antwoord heeft omdat of want nodig. Een kaal feit is geen reden.
Hoeveel kost een kaartje voor de bus?
Hoe vraagt hoe, hoeveel vraagt hoeveel. Het antwoord op hoeveel is een getal.

Woordvolgorde

Het werkwoord staat op de tweede plaats, en er mag maar één ding voor staan.

In Nederland betaalt u met de euro.
Plaats op plek 1, dus het werkwoord komt daarna en het onderwerp erachter: betaalt u, nooit u betaalt.
Op 27 april vieren Nederlanders Koningsdag.
Een datum gedraagt zich precies als een plaats. Plaats 1 gaat over positie, niet over betekenis.
Bij een ongeluk of noodgeval belt u 112.
Een lange opening is nog steeds één plaats: vijf woorden die samen één situatie noemen.
U betaalt in de winkel met uw pinpas.
Begin met het onderwerp en er verschuift niets. Deze volgorde staat je altijd ter beschikking.

Spreken

Spreken: zin afmaken

Je ziet een foto en het begin van een zin. Je zegt de hele zin, met het ontbrekende woord aan het eind.

De man leest een … → De man leest een krant.
Een voor het gat: er komt één ding. Zeg het begin opnieuw, dan het woord.
De kat slaapt op de … → De kat slaapt op de bank.
Op de vraagt om een plek. Kijk waar de kat op de foto is.
De jongen speelt … → De jongen speelt voetbal.
Geen een voor het gat. Een spel of een sport past hier vaak.
In de vaas staat een gele … → In de vaas staat een gele bloem.
De kleur staat er al. Jij zegt alleen nog het ding.

Spreken: kort antwoord

Je hoort een vraag over jezelf. Je antwoordt met één korte zin.

Hoe heet u? → Ik heet …
Maak van u ik. Hier blijft het werkwoord hetzelfde: heet.
Waar woont u? → Ik woon in …
Waar vraagt om een plaats. Het werkwoord verliest de t: woont wordt woon.
Hoe oud bent u? → Ik ben … jaar.
Bent is alleen voor u en je. Bij ik is het altijd ben.
Heeft u kinderen? → Ja, ik heb … / Nee, ik heb geen kinderen.
Geen vraagwoord, dus begin met ja of nee. Heeft wordt heb.
Hoe laat staat u 's ochtends op? → Ik sta om … uur op.
Hoe laat vraagt om een kloktijd. Op gaat naar het eind, net als in de vraag.

slaagkans.nl · Basisexamen Inburgering Buitenland (A1)