Slaagkans

Zinstaak: vergelijking

Een zinstaak waarin je twee dingen naast elkaar zet en een duidelijk verschil tussen die twee noemt.

De opdracht noemt twee dingen — de auto en de trein, een papieren boek en een scherm — en vraagt om één zin die ze vergelijkt. De moeilijkheid zit niet in de vergrotende trap zelf, maar in het feit dat een zin over maar één van de twee, of een zin die een overeenkomst noemt terwijl er om een verschil werd gevraagd, vlot leest en toch de taak mist. De vergelijking moet zichtbaar zijn: beide zaken genoemd, één aspect gekozen, en een vergelijkend woord dat de relatie draagt.

Hoe het examen dit toetst

Het grootste deel van Schrijven II bestaat uit zinstaken — ongeveer zeven of acht van de negen tot twaalf taken — en elke taak vraagt om één retorische handeling. Bij de vergelijkingstaak schrijf je een hele zin bij een open opdracht (vier van onze vijf vergelijkingsitems) of je maakt een aanzet af die eindigt op terwijl. Twee beoordelaars werken met een voorschrift, en onze oefenitems vragen dezelfde drie dingen: drukt de zin de gevraagde relatie uit, is het verbindingswoord goed gebruikt, ook in de woordvolgorde, en past de zin bij de situatie? Een zin over maar één kant beantwoordt geen van de drie.

Wat is er mis met deze zin?

Met de trein reis je meer rustig als met de auto.

Veel kandidaten schrijven het precies zo en verliezen het punt zonder te weten waarom.

De rest van deze les

De regel, de uitgewerkte voorbeelden, de uitzonderingen en wat u in het examenlokaal doet openen met Mastery, samen met alle andere lessen voor dit examen.

Bekijk de pakketten