Woordvolgorde
Het werkwoord staat op de tweede plaats, en er mag maar één ding voor staan.
Inhoud
1.Wat het is
Het Nederlands zet het werkwoord vast op plaats twee en laat op plaats één van alles toe. Cursisten leren de regel als 'het werkwoord komt op de tweede plaats' en passen hem daarna niet toe, want de zinnen waarin hij telt zijn juist de zinnen die met een plaats of een tijd beginnen — en op A1 begint bijna elke bruikbare zin zo. De moeilijkheid is niet de regel kennen; het is halverwege merken dat plaats één al bezet is.
2.In beeld
3.Hoe het examen dit toetst
Spreken, waar het punten kost, en Lezen, waar het begrip kost. Twaalf van de tweeëntwintig Spreken-taken vragen je om hardop een zin af te maken bij een plaatje, dus je bouwt een hele zin zonder dat iemand je corrigeert, en twee getrainde beoordelaars luisteren of het begrijpelijk Nederlands is. Bij Lezen werkt de regel tegen je: een zin die met een plaats of een datum begint zet het werkwoord vóór het onderwerp, en wie het onderwerp vooraan verwacht leest hem als een vraag en mist het feit dat erin staat.
4.De regel
- In Nederland betaalt u met de euro.
- Plaats op plek 1, dus het werkwoord komt daarna en het onderwerp erachter: betaalt u, nooit u betaalt.
- Op 27 april vieren Nederlanders Koningsdag.
- Een datum gedraagt zich precies als een plaats. Plaats 1 gaat over positie, niet over betekenis.
- Bij een ongeluk of noodgeval belt u 112.
- Een lange opening is nog steeds één plaats: vijf woorden die samen één situatie noemen.
- U betaalt in de winkel met uw pinpas.
- Begin met het onderwerp en er verschuift niets. Deze volgorde staat je altijd ter beschikking.
5.Voorbeelden
Bij de pinautomaat haalt u geld uit de muur.
Bij de pinautomaat u haalt geld uit de muur.
Een foto van een pinautomaat is precies de Spreken-opdracht waar dit bij hoort, en de plaats eerst noemen is de natuurlijke manier om te antwoorden — en juist dat zet het werkwoord vóór u.
In Nederland rijdt u aan de rechterkant van de weg.
Kom je deze zin tegen in een Lezen-tekst met het onderwerp vooraan in je hoofd, dan lijkt rijdt u een vraag. Het is een mededeling, en zij bevat het feit waar de vraag naar vraagt.
In de zomer gaan veel Nederlanders op vakantie.
In de zomer veel Nederlanders gaan op vakantie.
Een tijd op plaats 1 doet hetzelfde als een plaats. Het onderwerp veel Nederlanders staat achter het werkwoord en is nog steeds het onderwerp.
6.Uitzonderingen
Uitzondering 1
ja, nee en sorry staan buiten de zin en bezetten geen plaats: Ja, ik kom is goed, niet Ja, kom ik.
Uitzondering 2
en, maar en want verbinden twee zinnen zonder plaats 1 te bezetten, dus het deel erna begint gewoon weer met het onderwerp.
7.Let op
- Een Spreken-plaatje beantwoorden met de plaats vooraan en dan toch het onderwerp vóór het werkwoord houden. Het is de best hoorbare fout op dit niveau, en de zinsafmaaktaken lokken hem uit.
- Een Lezen-zin die met een plaats begint als vraag lezen, en het antwoord dan ergens anders in de tekst gaan zoeken.
- Een tijd én een plaats samen op plaats 1 zetten, waardoor het werkwoord op drie belandt. Er past er maar één, hoe lang die ook is.
8.In het examenlokaal
Begin in het examenlokaal met het onderwerp als je twijfelt: U betaalt in de winkel met uw pinpas is altijd goed en heeft de regel niet nodig. Bewaar de opening met een tijd of plaats voor de zinnen die je hardop geübend hebt. Lees bij Lezen, als een zin met een plaats of datum begint, door tot voorbij het werkwoord om het onderwerp te vinden voordat je beslist wat er staat.
In Nederland betaalt u — niet u betaalt.