Vraagwoorden
Het vraagwoord bepaalt wat voor antwoord meetelt — een plaats, een tijd, een persoon, een reden.
Inhoud
1.Wat het is
Elke open vraag in het examen begint met één van zeven woorden, en elk woord legt je vast op een soort antwoord. Cursisten verliezen hier punten niet omdat ze het antwoord niet weten, maar omdat ze een andere vraag beantwoorden dan er gesteld is — een tijd geven waar waar om een plaats vroeg, of een feit waar waarom om een reden vroeg. De woorden zelf zijn kort en makkelijk; horen welk woord er kwam, in een examenlokaal, één keer, is het moeilijke deel.
2.In beeld
3.Hoe het examen dit toetst
Vooral Spreken: tien van de tweeëntwintig taken zijn korte antwoorden op een gesproken vraag, en het vraagwoord is het eerste dat je hoort en het makkelijkst te missen. Twee getrainde beoordelaars kijken of je antwoord in de gevraagde categorie valt, dus een vlot antwoord op de verkeerde vraag scoort slechter dan een simpel antwoord op de goede. Bij Lezen komen dezelfde woorden terug in de vragen bij elke tekst, en de verkeerde categorie stuurt je naar de verkeerde zin.
4.De regel
- Waar haalt u geld uit de muur?
- Waar vraagt om een plaats. Het antwoord noemt een locatie en verder niets.
- Wanneer vieren Nederlanders Koningsdag?
- Wanneer vraagt om een tijd: een datum, een dag, een deel van het jaar.
- Wie helpt u bij een ongeluk?
- Wie vraagt om een persoon of een instantie. Wat vraagt om een ding — de twee schelen één letter en vragen om iets anders.
- Waarom betaalt u met uw pinpas?
- Waarom vraagt om een reden, en het antwoord heeft omdat of want nodig. Een kaal feit is geen reden.
- Hoeveel kost een kaartje voor de bus?
- Hoe vraagt hoe, hoeveel vraagt hoeveel. Het antwoord op hoeveel is een getal.
5.Voorbeelden
Waar haalt u geld uit de muur?
Waar haalt u geld? In de ochtend.
Bij de pinautomaat beantwoordt deze vraag. In de ochtend niet, hoe waar het ook is — dat beantwoordt wanneer, en dat vroeg niemand.
Waarom belt u 112?
Het antwoord moet een reden bevatten: Omdat er een ongeluk is. Het nummer herhalen of de dienst noemen beantwoordt wat in plaats van waarom.
Wanneer vieren Nederlanders Koningsdag?
Op 27 april is het hele antwoord. Op A1 is een kort, precies antwoord in de goede categorie meer waard dan een lang antwoord dat afdwaalt.
6.Uitzonderingen
Uitzondering 1
Welke vraagt je te kiezen uit een verzameling die al genoemd is, dus het antwoord kiest er één uit en noemt niet iets nieuws.
Uitzondering 2
Een vraag zonder vraagwoord — Betaalt u met de euro? — wil eerst ja of nee. Er een plaats op antwoorden is een vraag beantwoorden die niet gesteld is.
7.Let op
- Waar horen en met een tijd antwoorden. Het is het meest voorkomende verspilde antwoord in de korte-antwoordtaken, en het antwoord zelf is meestal gewoon goed Nederlands — alleen over het verkeerde.
- Waarom beantwoorden met een feit in plaats van een reden. Ik betaal met mijn pinpas is geen antwoord op waarom; daar hoort omdat bij.
- Wie en wat door elkaar halen omdat ze onder examenspanning op elkaar lijken. Wie wil een persoon; wat wil een ding.
8.In het examenlokaal
Herhaal het vraagwoord voor jezelf voordat je antwoordt — één lettergreep, in stilte — en laat het de vorm van je eerste woorden kiezen: waar geeft je In of Bij, wanneer geeft je Op of In, waarom geeft je Omdat. Heb je het woord niet verstaan, vraag dan Sorry, kunt u dat herhalen? in plaats van te gokken; herhalen kost een moment, de verkeerde categorie kost het antwoord. Streep bij Lezen het vraagwoord aan voordat je terug de tekst in gaat.
Waar wil een plaats, wanneer een tijd, waarom een omdat.