Slaagkans

De eerste 5 lessen zijn gratis. De rest opent met Mastery.

Lezen (Basisexamen)

Het onderdeel Lezen van het Basisexamen, afgenomen op een ambassade: korte teksten op een scherm, met de vragen hardop voorgelezen.

Inhoud

1.Wat het is

Dit onderdeel toetst niet of je een alinea kunt lezen. Het toetst of je één alledaags gegeven kunt vinden in een heel korte tekst — een tijd, een plaats, een prijs, een naam — onder tijdsdruk en in een onbekende ruimte. Vrijwel al onze 450 A1-leesvragen hebben die ene vorm. De moeilijkheid is niet het Nederlands; het is dat ook de foute antwoorden woorden uit de tekst zijn.

2.In beeld

1Luister naar de vraag2Zoek het woord3Lees die regel4Kies
Vier korte stappen. Het hele onderdeel is dit, steeds opnieuw.

3.Hoe het examen dit toetst

Het Basisexamen wordt afgenomen op een Nederlandse ambassade of een consulaat, op een computer, in één bezoek samen met de andere twee onderdelen. Elk van de drie onderdelen krijgt een cijfer van 1 tot 10 en je hebt op elk een 6 of hoger nodig — een sterk Spreken compenseert geen zwak Lezen. De teksten zijn alledaags en heel kort. Doordat de vragen ook worden voorgelezen, is een gemist woord te herstellen; het ene woord waar de vraag om draait missen, niet.

4.De regel

Hoe laat …?
Zoek de cijfers. Staan er twee tijden, dan hoort er één bij een andere dag.
Waar …?
Een plaatsnaam of een ruimte. Vaak worden er twee genoemd en is er één het antwoord.
Wie …?
Een persoon of rol: de dokter, de leraar, uw buurman. De tekst noemt er meer dan één.
Wat kost …?
Een prijs. Controleer voor welke groep die geldt voordat je hem neemt.
niet / geen
Eén klein woord dat het antwoord omdraait. Let erop als de vraag wordt voorgelezen.

5.Voorbeelden

  • De dokter werkt op maandag, dinsdag en donderdag.

    Gevraagd of de dokter op woensdag werkt, is het antwoord nee — en woensdag staat helemaal niet in de tekst. Een dag die ontbreekt is een antwoord, geen leemte.

  • De winkel is open tot 18.00 uur. Op zondag is de winkel gesloten.

    Op zondag tot 18.00 uur.

    18.00 staat er en zondag staat er. Een vraag over zondag wordt beantwoord door de tweede zin, en 18.00 wordt als optie aangeboden.

  • U mag hier niet parkeren.

    Hier mag u parkeren.

    Alles in de zin gaat over parkeren, op één woord na. Mis niet en je kiest met volle overtuiging precies het tegenovergestelde.

6.Let op

  • Een optie kiezen omdat de woorden in de tekst staan. In dit onderdeel bestaat elke foute optie uit woorden uit de tekst — zo worden ze gemaakt.
  • Antwoorden vanuit de foto of vanuit wat normaal is, in plaats van vanuit de tekst. De tekst beslist, ook als die ongewoon is.
  • Haasten omdat de vraag werd voorgelezen en makkelijk voelde. Het voorlezen helpt bij de woorden, niet bij de keuze.

7.In het examenlokaal

Luister naar het ene woord dat niet vervangbaar is — de dag, de persoon, het bedrag — zoek dat woord in de tekst en lees alleen die regel. Kun je het niet vinden, dan is het antwoord meestal dat de tekst het niet zegt, en dat is zelf een optie.

Eén woord zoeken. Eén regel lezen.

Oefen dit onderdeel