Spreken: zin afmaken
Je ziet een foto en het begin van een zin. Je zegt de hele zin, met het ontbrekende woord aan het eind.
Inhoud
1.Wat het is
De taak zegt: Maak de zin af. Kijk naar de foto en zeg: … Daarna zeg je de zin. Die is bijna klaar. Alleen het laatste woord of de laatste twee woorden ontbreken, en de foto laat ze zien. Deze taak kijkt dus naar twee dingen: ken je het Nederlandse woord voor wat je ziet, en zeg je het duidelijk? Vaak helpt het kleine woord voor het gat ook: een, de, of een kleur.
2.In beeld
3.Hoe het examen dit toetst
Spreken is een van de drie onderdelen van het Basisexamen. Je doet het op de ambassade of het consulaat, op een computer. Je stem wordt opgenomen. Eén soort taak is een zin over een foto afmaken. Twee beoordelaars luisteren later naar de opname. Ze kijken of ze je kunnen verstaan. Onze oefentaken kijken daar ook naar, en naar nog één ding: past je woord bij de foto en bij de zin?
4.De regel
- De man leest een … → De man leest een krant.
- Een voor het gat: er komt één ding. Zeg het begin opnieuw, dan het woord.
- De kat slaapt op de … → De kat slaapt op de bank.
- Op de vraagt om een plek. Kijk waar de kat op de foto is.
- De jongen speelt … → De jongen speelt voetbal.
- Geen een voor het gat. Een spel of een sport past hier vaak.
- In de vaas staat een gele … → In de vaas staat een gele bloem.
- De kleur staat er al. Jij zegt alleen nog het ding.
5.Voorbeelden
De vrouw rijdt op een fiets.
Fiets.
De hele zin, met het woord van de foto aan het eind. De luisteraar hoort het begin en het ontbrekende woord samen.
Op de foto regent het, dus de vrouw heeft een paraplu.
Op de foto regent het, dus de vrouw heeft een jas.
De zin geeft een hint: het regent. Een jas kan ook kloppen, maar de foto laat een paraplu zien, en dat woord past.
Het meisje drinkt een glas melk.
Het meisje drinkt een glas milk.
Een glas … vraagt om een drankje. Zeg het drankje dat je ziet. Een woord in het Engels of in je eigen taal telt niet als Nederlands.
6.Uitzonderingen
Uitzondering 1
Sommige taken zeggen alleen: Op de foto zie ik … Dan staat er geen hint in de zin. Noem het grootste, duidelijkste ding op de foto.
7.Let op
- Alleen het ontbrekende woord zeggen. De taak zegt: zeg de zin. Eén los woord, snel gezegd, gaat op een opname makkelijk verloren.
- Iets noemen dat klopt, maar niet op de foto staat. Het woord moet bij de foto passen, niet alleen bij de zin.
- Stoppen als je het woord niet weet. Stilte geeft niets. Een simpel woord dat past, zoals tas of bloem, is beter.
8.In het examenlokaal
Lees eerst het begin van de zin. Kijk naar het laatste kleine woord: een, de, op de, een kleur. Zoek dan dat ding op de foto. Zeg de hele zin, langzaam, met een duidelijk laatste woord. Stop dan.
Begin + foto = hele zin.