Slaagkans

De eerste 5 lessen zijn gratis. De rest opent met Mastery.

Spreken: kort antwoord

Je hoort een vraag over jezelf. Je antwoordt met één korte zin.

Inhoud

1.Wat het is

De vragen zijn eenvoudig: je naam, waar je woont, je leeftijd, je werk, je familie, je dag. Het antwoord is niet het moeilijke deel. Het moeilijke deel is de stap van vraag naar antwoord. De vraag zegt u. Jouw antwoord zegt ik. En het werkwoord verandert mee: bent u wordt ik ben, heeft u wordt ik heb. Veel cursisten nemen het werkwoord uit de vraag over en zeggen ik heeft.

2.In beeld

1Waar woont u?2u → ik3woont → woon4Ik woon in Ankara.
Van de vraag naar je antwoord in drie kleine stappen.

3.Hoe het examen dit toetst

Spreken is een van de drie onderdelen van het Basisexamen. Je doet het op de ambassade of het consulaat, op een computer, en je stem wordt opgenomen. Eén soort taak is het korte antwoord: je hoort een vraag over je eigen leven en je beantwoordt die. Twee beoordelaars luisteren later naar de opname. Ze kijken of ze je kunnen verstaan. Onze oefentaken kijken naar hetzelfde, en naar nog één ding: past je antwoord bij de vraag?

4.De regel

Hoe heet u? → Ik heet …
Maak van u ik. Hier blijft het werkwoord hetzelfde: heet.
Waar woont u? → Ik woon in …
Waar vraagt om een plaats. Het werkwoord verliest de t: woont wordt woon.
Hoe oud bent u? → Ik ben … jaar.
Bent is alleen voor u en je. Bij ik is het altijd ben.
Heeft u kinderen? → Ja, ik heb … / Nee, ik heb geen kinderen.
Geen vraagwoord, dus begin met ja of nee. Heeft wordt heb.
Hoe laat staat u 's ochtends op? → Ik sta om … uur op.
Hoe laat vraagt om een kloktijd. Op gaat naar het eind, net als in de vraag.

5.Voorbeelden

  • Ik woon in Ankara.

    Ankara.

    Antwoord op Waar woont u? Eén plaats, in een hele korte zin. Alleen de naam van de stad is ook te verstaan, maar de taak vraagt om een korte zin.

  • Ik sta om zeven uur op.

    Ik sta op in de ochtend.

    Hoe laat vraagt om een tijd op de klok. 's Ochtends staat al in de vraag, dus dat herhalen beantwoordt niets.

  • Nee, ik heb geen kinderen.

    Nee, ik heeft geen kinderen.

    Een ja/nee-vraag: eerst nee, dan een korte zin. Het werkwoord is heb, niet het heeft dat je net hoorde.

6.Uitzonderingen

  • Uitzondering 1

    Bij Wat is uw adres? en Wat is uw telefoonnummer? wordt uw mijn: Mijn adres is … Zeg een telefoonnummer langzaam, cijfer voor cijfer.

  • Uitzondering 2

    Waar komt u vandaan? is een andere vraag dan Waar woont u? Ze vraagt naar je land: Ik kom uit Marokko.

7.Let op

  • Twee vragen beginnen met waar. Waar woont u? vraagt waar je nu woont. Waar komt u vandaan? vraagt waar je vandaan komt. Het antwoord op de andere vraag past niet.
  • Het werkwoord uit de vraag overnemen: ik heeft, ik bent, ik woont. De vraag gaf je de u-vorm. Jij hebt de ik-vorm nodig.
  • Een lange geleerde tekst over jezelf opzeggen. Eén vraag wil één antwoord. Meer zinnen geven meer kans om onduidelijk te zijn, en ze passen niet beter bij de vraag.

8.In het examenlokaal

Vang het eerste woord van de vraag. Maak van u ik en pas het werkwoord aan. Zeg één korte zin, langzaam en duidelijk. Stop dan. Heb je de vraag niet goed gehoord, dan is een kort, simpel antwoord nog steeds beter dan stilte.

Vraag met u, antwoord met ik. Eén korte zin.

Oefen dit onderdeel